woensdag 18 augustus 2010

FAN

Gisteren viel ik tijdens het zappen in een BBC-documentaire over heavy metal. De hele meute kwam voorbij: Ozzy Osbourne, Mötley Crüe, Iron Maiden, Judas Priest, Metallica. Niet echt mijn kopje thee, maar toch leuk om te zien. En ik kan me ook heel goed voorstellen wat er aanspreekt in metal-muziek.

Twee onderwerpen uit de documentaire mogen best even worden genoemd. In de eerste plaats hoe de zanger van Judas Priest de hele look van de metalscène heeft beïnvloed. Rob Halford is homoseksueel en erg into fetish, vooral leer en studs. Zijn podiumoutfit kocht hij bij elkaar in obscure fetishwinkeltjes. ERn daar had ie succes mee op het podium. Naar dit voorbeeld is een uniform ontwikkeld dat door ongeveer alle metalbands en metalheads is overgenomen. Best bijzonder in zo'n wereld van échte mannen.

In de tweede plaats de rechtszaak die was aangespannen tegen Judas Priest omdat twee Priest-fans zelfmoord hadden gepleegd, direct na het beluisteren van muziek van hun helden. Althans: bij de een was het gelukt, de ander kon het navertellen, hoewel dat moeilijk zal zijn geweest zonder onderkaak. De leden van Judas Priest werden verantwoordelijk gesteld voor de zelfmoorden. In hun muziek moedigden ze de jeugd hiertoe aan via geniepig verborgen subliminal messages.

Verborgen boodschappen in de muziek... het is te danken aan de Amerikaanse moral majority dat er sinds de Beatles ('Paul is dead') eindelijk weer wat horen was over dit potentieel gevaarlijke fenomeen. Tipper Gore (de vrouw van inderdaad) was de drijvende kracht achter de club die alle platen doorluisterde op al dan niet subliminale maar in ieder geval onwelvoeglijke boodschappen. Niet voor niets is aan het einde van de elpee White bread blues van Victims Family, na het nummer Anti satan song for mom, als je de plaat terugdraait te horen: 'I hope you break your needle Tipper!' Zo ging dat in die tijd, hard tegen hard.

In de documentaire is een scène te zien van de rechtszaak waarin de jury moet aangeven of zij vinden dat de zanger ergens ver weg op de achtergrond 'Do it, do it' zegt is behoorlijk bizar. En dan is in ieder geval in de documentaire volstrekt onduidelijk wát ze dan precies moeten doen. Uiteindelijk liep de rechtszaak met een sisser af en werden alle Judas Priests vrijgesproken. En dat was maar goed ook, want hoe moet je je nou in godsnaam verweren tegen verdenkingen van subliminal messages?

Overigens zitten er in mijn familie de nodige metalheads. In Groningen, of meer algemeen, in perifere, meer rurale regio's zoals geografen dat zo mooi noemen, was en is metal nog steeds hot. Vooral mijn neef J. was een enorme metalfan. Hij droeg ook studs en van die maffe strakke broeken met verticale strepen. Dat vond ik altijd ontzettend stoer. Hij - en nog meer neven - waren groot fan van Iron Maiden. Ik vond dat toch maar een beetje eng, dat satanistische gedoe - Number of the beast! - en die akelige elpee-hoezen. Neef J. was ook nog lid van de fanclub van Status Quo. Ik weet, dat is geen metal maar hardrock, maar goed.

Ergens in de tachtiger jaren troffen wij de familie van J. ergens op een camping in Frankrijk. Na een aantal dagen vertrok de familie. Vlak voordat ze vertrokken - de auto was ingeladen, de vouwcaravan opgevouwen en aangekoppeld - deed J. een daad die grote indruk op mij maakte. Op de parkeerplaats waar hun tent naast stond schreef hij groot: Quo-fan 276.389 was here! Dat nummer weet ik niet helemaal zeker, maar Quo-fans werden dus, net als goede flessen wijn, genummerd. Ik vond het een uiterst stoere daad, zoals ie dat deed, met krijt, alsof het simpelweg een plicht was, zonder zich te haasten, terwijl de auto met de anderen ongedurig stond te wachten op vertrek.

dinsdag 17 augustus 2010

PEST

Uit recent onderzoek blijkt dat er in bejaardenhuizen heel wat wordt gesard, getreiterd, gekleineerd en gekoeioneerd. Pesten houdt sommige bejaardenhuizen volledig in hun greep. Bejaarden worden genegeerd, ze krijgen geen taart als iedereen taart krijgt, hun rollator wordt steeds in de lift gezet, ze krijgen voortdurend neerbuigende opmerkingen naar hun hoofd.

Wat zo wreed is - maar ook zo voorspelbaar - is dat het zowel aan de kant van de pesters als van de gepesten om dezelfde personen gaat die 60 jaar eerder op school respectievelijk dat sadistische jongetje met zijn achterbakse wrede berekenende gedrag en het kind van de rekening waren. Als je op de lagere school gepest wordt dan staat je in het bejaardenhuis dus denkelijk de nodige ellende te wachten. En dan is de kans groot dat je tussendoor, in je werkzame leven, ook een klotentijd hebt. Opvallend is dat bij kinderen gepestheid al is terug te zien in hun lichaamshouding: pest me, sla me! Dat raak je niet zo snel weer kwijt.


Pesten is een zichzelf versterkend principe. Als het eenmaal op gang is wil iedereen mee doen, want dan staat hij of zij aan de goede kant. Ik vond het altijd razend irritant als van die slome tuttebellen uit de klas ineens mee deden aan het pesten. Terwijl ze op de pestladder maar net een paar treetjes lager stonden dan de echt zware slachtoffers.

Uit nog recenter onderzoek blijkt dat ook op militaire opleidingen pesterijen schering en inslag zijn. De charismatische en dominante leiderstypes weten hun potentiële strijdmakkers te bewegen om al wat afwijkt een gruwelijke tijd te bezorgen. Ik citeer: 'Een slapende adelborst (ik dacht dat de adelborst in Nederland niet meer voorkwam sinds de winter van '63) werd in 2007 geswaffeld door medeleerlingen en hield daar psychische klachten aan over'. Ik kan het me voorstellen! In mijn tijd schopten ze als pesterij je bal met een grote boog over een sloot de struikjes in, zodat je een eeuwigheid bezig was hem te zoeken. En zij maar lachen als je aan het zoeken was. Dat vond ik toen al best erg...

'Op het Koninklijk Instituut Marine geldt pesten als natuurlijke selectie' luidt een van de bevindingen uit het onderzoek. Pesten als Darwinistisch selectiemethode, dat klinkt interessant. Maar dan zouden mensen die gepest worden toch op den duur uit moeten sterven? Of hebben ze een functie? Vormen ze een dempende factor? Want als al die alfamannetjes de hele dag met elkaar aan het vechten zijn, wie levert dan het Goede Zaad? Of zijn die minder dominante, misschien zelfs wat vrouwelijker types, goed in dingen die ook van belang zijn voor het menselijk ras? Dingen die juist zij heel goed kunnen?

Het lijkt nu alsof vrouwen in het geheel niet meedoen aan pesten, maar de waarheid is natuurlijk dat vrouwen er beter in zijn dan mannen. Alleen gebruiken ze heel andere methoden. Geen fysiek geweld - op een klein catfightje na zo hier en daar - maar psychologische oorlog van het koude soort. Hebben vrouwen er baat bij in evolutionair opzicht? Ik zie het nog niet zo. Misschien is pesten voor vrouwen een manier om zich in de etalage te plaatsen van de Grote Genenuitwisseling. Dat zij aan de Opperpesters kunnen laten zien dat ze als pester ook zeker hun mannetje staan. Want het is toch zeker zo dat pesters het met pesters doen en gepesten met gepesten? Ach ja, het zal er wel weer om gaan dat degene met de beste genen genen uitwisselt met diegene met de beste genen van het andere geslacht. De conclusie is duidelijk: de evolutie zal er niet voor zorgen dat pesten uitsterft.

BOM

Soms komen er op tv programma's voorbij – of eigenlijk is het eerder zo dat jij voorbij komt aan programma's – waarvan je denkt: hoe verzint iemand dit? Dat had ik onlangs. Hoe het programma heet weet ik niet. Het is een serie waarin verschillende elitetroepen uit historische oorlogen en veldslagen het tegen elkaar opnemen. Het is een soort idols voor oorlogsfetisjisten, met veel wapentuig en explosies. De nadruk ligt op eigenschappen als fitheid, doorzettingsvermogen en wreedheid, maar vooral op hoe goed je je wapens weet te hanteren.

In deze aflevering gaat de Waffen-SS de strijd aan met de Vietcong. Nu moet je niet denken dat beide teams ergens op een mooi wedstrijdterrein tegen elkaar ten strijde trekken. Er is gekozen voor een wedstrijd die het goed doet op tv. De effectiviteit van de wapens die beide partijen indertijd gebruikten, wordt op spectaculaire wijze vergeleken en beoordeeld door een deskundige jury. En effectiviteit gaat in dit geval om zo veel mogelijk dood en verderf. Boem! Kledder! Bakfiets!

Zowel de Vietcong als de Waffen-SS hebben een vertegenwoordiger die alle wapens demonstreert. Ze zijn allebei heel blij met de hun toegedichte rol en bovendien uitzonderlijk goed gecast. De SS-er spreekt Engels met een duidelijk Duits accent. Hij ziet er uit alsof hij regelrecht in de eerste lijn afstamt van een opper-Nazi. Hij is duidelijk trots op al die geniale wapens die zo ontzettend goed in staat zijn om mensen uit elkaar te rijten of te doorboren.

De Vietconger ziet er uit alsof hij zo weer aan de slag zou willen gaan om bijvoorbeeld een leuke val met geslepen bamboestengels in elkaar te knutselen. Hij is een afgetrainde Vietnamees die ook uitermate trots is op hun wapentuig, hun inventiviteit in het gebruik er van en vooral op het feit dat de Vietcong drie moderne westerse legers hebben overwonnen. Je mag dan de underdog zijn, maar met een beetje goede wil kan je iedere vijand aan.

Handwapens, mitrailleurs en mijnen worden in opeenvolgende sessies vergeleken en beoordeeld. Er is gekozen voor opstellingen met levensgrote poppen die als slachtoffer dienen. De poppen gaan echt bloeden als je raak schiet en ze hebben precies dezelfde eigenschappen als een mensenlichaam, zodat goed kan worden beoordeeld of de wapens werken.

Aan het einde van elke sessie wordt gekeken hoeveel schade de kogels of bommen hebben aangericht. Dat leidt tot enthousiasme bij deelnemers en jury: "Kijk, drie keer dwars door het hoofd! Die gast is ontzettend dood!" "Zag je dat, hij ligt helemaal in tweeën!" "Heeft iemand gezien waar zijn benen zijn neergekomen?" Het spectaculairst is toch wel de mijn die in de nabijheid van een varkenskarkas tot ontploffing wordt gebracht. Na de knal is er vrijwel niets meer van over en tot tientallen meters in de omtrek dwarrelen minuscule stukjes varken neer.

Ook de uitleg van de wapens verraadt rare obsessies. De Waffen-SS gebruikt een mijn die voor maximaal effect eerst een metertje opspringt alvorens te ontploffen. Met smaak worden anekdotes opgediend over de angst onder Engelse soldaten voor dit moorddadige wapen. Je was als je het - God verhoede - overleefde in ieder geval ontmand.

Jammer genoeg heb ik de einduitslag niet gezien, dus ik kan niet vertellen wie er gewonnen heeft. Het pleit natuurlijk wel voor de Vietcong dat ze in tegenstelling tot de Waffen-SS nog nooit zijn verslagen. Ach, wat zal het ook, dit waren nog maar de voorrondes. Wie zouden er doordringen tot de finale? Ik tip Al Qaida.

woensdag 14 juli 2010

KOOTJE

Ik sta voor het urinoir van café 't Neutje te doen wat je meestal doet als je voor een urinoir staat. Urinoir... het klinkt totaal anders dan je bij de naam zou denken. Café noir, film noir, urinoir. Mijn straal stokt als iemand de toiletruimte betreedt. Mijn straal stokt niet alleen, ik schrik me helemaal het Lazarus en schiet in een acute angstreflex. Want dit is Marcel of André van De Tweeling. De Gevreesde Tweeling, waardoor ik op de lagere school doodsangsten heb uitgestaan.

Ze zaten op een andere school – de openbare school, ofwel de rode school, ofwel de heidense school – die deel uitmaakte van het rood-geel-oranje scholencomplex in de Monnikenhof, Vianen. Als ik De Tweeling aan zag komen lopen – en dat gebeurde nogal eens, want we legden ’s ochtends en ’s middags een elkaar tegengestelde weg af - dan trad in mijn reptielenbrein een flight-or-fight-reactie in werking. En altijd koos ik voor flight. Ik dook de struikjes in om het pad direct langs de waterkant te nemen. Je was dan vanaf de weg niet meer zichtbaar. Ik denk dat ik zelfs voor het grootste deel verantwoordelijk ben geweest voor het ontstaan van dat pad.

Ik weet niet eens of er echt een goede reden was dat ik (of vooruit: we, want het gold niet alleen voor mij) bang was voor De Tweeling. Ze hebben me voor zover ik me herinner nooit in elkaar geslagen. Ze waren meer van het intimideren: een beetje trekken, een beetje duwen en vooral veel stoere praat uitslaan in plat Utrechts. Ze gebruikten woorden waaraan ik nog niet eens durfde te denken. Ze waren net iets ouder dan ik, altijd met zijn tweeën en zagen er knap angstaanjagend uit.

Marcel – of André – herkent me. Hij moet mijn reactie op zijn aanwezigheid haast wel zien: angst. Hij slaat me op de schouder: ‘Jij komt toch uit Vianen? Jij was vroeger altijd doodsbang voor ons he? Ha ha ha!’ Beteuterd zeg ik dat dat inderdaad het geval was. Als we beide geloosd hebben nodigt hij me uit voor een pilsje. Zijn tweelingbroer staat aan de bar. Er staan glazen Duvel voor ze en de asbak ligt vol met peuken. Ze roken zware shag. ‘He, ken je hem nog? Je weet wel, die zo bang was voor ons?’ Ook hij herkent me als die bange onnozelaar en lacht me vriendelijk toe. Er is ook een vrouw bij, ongetwijfeld de vriendin van een van de twee, maar die doet verder niet ter zake en wordt ook niet voorgesteld.

Ik krijg een duvel van ze. Lekker! Mijn flight-or-fight-systeem is inmiddels weer uitgeschakeld en mijn door de schrik opgewekte adrenalinerush is ook voorbij. Ik begin me langzaam maar zeker op mijn gemak te voelen in hun gezelschap. André of Marcel begint over vroeger. Dat zij, als twee stadje jongetjes, naar Vianen verhuisden. En daar ging het er allemaal heel anders aan toe dan in de volksbuurt waar ze vandaan kwamen. Die bleue jongetjes waren als de dood voor ze, terwijl zij er aan gewend waren altijd een grote bek op te zetten. Iedereen deed dat. Ze kwamen sowieso uit een hele ondernemende familie. Een oom was de eerste eigenaar van de eerste Nederlandse coffeeshop, Sarasani. Begin ’70-er jaren is hij doodgeschoten boven de zaak. De tweeling was toen een jaar of vier. Crimineel durf ik ze niet te noemen, maar het was niet altijd even zuivere koffie waar deze familie zich mee inliet.

Een van de twee werkt nu als timmerman, de ander is beroepsmilitair. Of eigenlijk: was beroepsmilitair, want op de een of andere manier is hij zijn bovenste vingerkootje van zijn rechterhand kwijt geraakt. En als je niet eens een trekker over kunt halen dan houdt het op in het leger. Hij lijkt daar zo op het oog niet echt mee te zitten. Dat ik op het punt sta te gaan studeren – het is studentenintroductie – vinden ze wel geinig. Hadden ze vast al wel gedacht.

We drinken nog gezellig een duvel of wat en gaan eerder als vrienden dan als vijanden uit elkaar. Direct buiten het café gekomen steken ze een enorme joint op met ontzettend sterke hash. Onvast op de benen van duvel en dope slingeren ze over de Neude richting auto. Ze stappen vrolijk in, raampjes open, jointje in de hand. Wee de politieagent die ze aanhoudt.

dinsdag 6 juli 2010

BROEI 2

Ik zit nog steeds in de tuin. De zon is bijna onder, maar het is nog aangenaam warm, om niet te zeggen broeierig. Uitkijkend over de Vecht zijn mijn gedachten bezig aan een sentimental journey.

Ik bevind me op de voetbalvelden van Brederode en ben elf jaar. Vriendje Sander heeft net gevoetbald en ik heb gekeken. We eten trekdrop en hangen een beetje rond. Plots komt er iemand aangerend die meer in het algemeen dan tegen ons in het bijzonder zegt: 'Kom kijken, André van de tweeling staat in de bosjes te vrijen!' We gaan er snel heen. En inderdaad, hij staat daar, tussen de struiken met witte besjes waar je zo goed mee kunt schieten met een pvc-buis, en hangt tegen een meisje aan en betast haar, terwijl ze elkaar op de mond kussen. We staan een paar tellen met open mond naar dit schouwspel te kijken totdat André ons ziet. We zijn doodsbang voor hem dus rennen we snel weg, lachend om wat we gezien hadden. 'Zag je dat? Hij zat aan haar kont! En ze zaten helemaal met de tongen tegen elkaar!' Met onnozele rooie kinderoortjes eten we in de kantine nog een trekdrop. Het was weer een topdag.

Om de een of andere reden - ik zit nog steeds in de tuin, het is drukkend warm en inmiddels knap donker - moet ik denken aan een voorlichtingsboekje dat mijn moeder ooit meenam uit de bieb. Seksjuwele voorlichting, zoals Campert dat noemt. Het boekje was waarschijnlijk bedoeld om met grappig bedoelde cartoons gesprekken over moeilijke dingen op gang te brengen. Of die gesprekken ooit hebben plaatsgevonden weet ik gek genoeg niet. Wat ik wel weet is dat ik niet op die gesprekken zat te wachten.

Ik kan me nog slechts één plaatje herinneren, en wel van een jongen die bovenop de hoge duikplank staat. Hij kijkt uit op een vrouw met een paar ferme borsten die in een bikini zijn gepropt. Van de weeromstuit krijgt hij een dikke vette bobbel in zijn strakke groene zwembroek. En dat bovenop de duikplank in een vol zwembad. Het moraal van het verhaal: erecties kunnen op de meest ongelegen momenten ontstaan. Altijd leuk om met je moeder over te praten.

Nog steeds zittend in de tuin - het koelt maar niet af, de luchtvochtigheid is tegen de 100%, heel in de verte weerlicht het en er klinkt zacht gerommel - herinner ik me een boek dat ik op zeker moment aantrof in de ouderlijke boekenkast. Het boek had de spannende titel 'Erotische variaties'. Het stond linksbovenaan in de kast, en vanaf de trap kon je er prima bij.

Zittend in de oksel van de trap blader ik het boek door terwijl ik elf jaar ben. Het is echt een kijkboek met heel veel foto's. Op alle foto's staan twee mensen, een man en een vrouw. Ze zitten meestal heel dicht tegen elkaar aan. Het zijn vrij suffe zwartwitfoto's die ondanks de diverse variaties die zijn afgebeeld alles zijn, maar niet opwindend. Er is sowieso geen zogenaamd geslachtsorgaan te zien. Bovendien kijken de gefotografeerden altijd van de camera weg. Je zou ze werkelijk nooit op straat herkennen.

Ik moet goed opletten, want mijn moeder of zusje kan ieder moment thuis komen. Ik neem nog wat variaties door. Dan weer zit de vrouw onder, dan weer de man. Dan weer staan ze, dan weer zitten ze, dan weer liggen ze. Of de een ligt en de ander staat. Er zijn met twee mensen meer variaties mogelijk dan je zou denken. Het doet me vooral aan gymnastiek denken. Ik vind het maar een raar boek.

Een bliksemschicht verlicht de tuin en al na een paar seconden volgt een daverende donderslag. De wind trekt aan. De populieren komen met zijn allen tegelijk in beweging en ruizen zoals alleen populieren kunnen ruizen. Het is tijd om naar huis te gaan, en snel ook. Een nieuwe bliksemflits en donderslag. Ik ruim de boel op en fiets snel naar huis. De bui is echter sneller. In een paar minuten ben ik doornat. Heerlijk! Eindelijk verkoeling!

woensdag 30 juni 2010

BROEI

Ik zit in de tuin. Het is broeierig warm. De wind is een föhn. Mijn gedachten zijn blijkbaar vrij vandaag; ze gaan in ieder geval alle kanten op. Alhoewel, er lijkt een zekere rode draad te zijn.

Ik moet denken aan die warme zomerse dagen, waarop we vroeger naar de zwemplas de Put of naar de Lek gingen om te zwemmen. Het is warm. Broeierig warm. Meisjes in bikini, jongens in shorts. Ik zit in de eerste of tweede klas van de middelbare school.

We hangen met een clubje op een strandje langs de Lek. Een eindje verderop ligt een jongen van mijn school, uit mijn jaar, samen met een blond meisje met witte bikini op een badhanddoek. Zijn hand rust op haar billen. Ze is heel mooi. Ze wrijven neusjes, kijken elkaar verliefderig aan en voegen elkaar lieve woordjes toe. Het neusje wrijven gaat over in zoenen, wat weer overgaat in tongzoenen. We kunnen er maar moeilijk de ogen van af houden en worden er een beetje lacherig van. We vinden het stom, houden we naar elkaar toe vol. Maar maar natuurlijk zijn we allemaal strontjaloers op die jongen.

Ik zit nog steeds in de tuin. Het is nog steeds warm. Er komt een voorval bovendrijven waar ik in geen eeuwigheid meer aan heb gedacht. Ik zie de beelden haarscherp voor me. De exacte plek op het schoolplein. Hoe we daar stonden, en daarna dat euforische gevoel dat steeds meer plaats maakte voor ontreddering.

Ik ben dertien. In mijn klas zit ene Sabina, een meisje met lang rood haar dat gek is op dingen met glitters. Op de klassenfoto zit ik naast haar. Ze heeft een flonkerend rode diadeem in haar haar. Ze ziet er op de foto - of eigenlijk altijd - tamelijk volks uit. Tegenwoordig zou ik dat denk ik ordinair noemen. Ze praat behoorlijk plat Utrechts en is dol op paarden. Desalniettemin vind ik haar mooi en leuk. Ik ben vast verliefd op haar.

Ik krijg de schrik van mijn leven als ze op het schoolplein fietsend mijn kant op komt - er is niemand in de buurt - en plompverloren, zonder inleiding en zonder omhaal, vraagt of ik verkering met haar wil. Verkering! Ik ben met stomheid geslagen en krijg ter compensatie een gigantische boei. Dat is ook communiceren. Als ik eindelijk wat kan zeggen, kan ik niets anders uitbrengen dan: 'Ik weet het niet.' Na wat ongemakkelijke momenten zeggen we elkaar gedag en - of er niets is gebeurd - fietsen we allebei naar huis, zij naar IJsselstein, ik naar Vianen.

Die avond in bed doe ik dat gesprek honderden keren over, met natuurlijk totaal andere antwoorden op haar vraag: 'Jaaaaaa!', 'Ja, natuurlijk!', 'Ja schat!' Of helemaal niets zeggen en haar uit pure liefde in de armen sluiten en een half uur niet meer loslaten. Ik smeed koortsachtig plannetjes. Want wat moet ik nou gaan doen morgen? Gelijk op haar af rennen en zeggen: 'Hoi, over wat je gisteren vroeg, weet je nog? Ehm... Ja!'

Maar ik krijg ook andere gedachten. Heb ik het niet gewoon verkeerd verstaan? Of zou ze het niet gemeend hebben? Zou het gewoon een grap zijn en lacht ze me uit als ik er op terug kom? En wat zullen mijn vrienden wel niet zeggen? 'Heb je verkering met die rooie biet? Neeeeeeee!'

Uiteindelijk koos ik natuurlijk de weg van de minste weerstand. Een lange en vrij moeizame weg. Natuurlijk durfde ik het niet aan er ooit nog bij Sabina op terug te komen. En zij is er ook nooit meer over begonnen. Ik weet niet of we nog blikken van verstandhouding hebben uitgewisseld. Ik weet het niet

NACHTFIETSER

Maandavond even na elven. Ik fiets langs de Vecht naar huis. Onder een lantaarnpaal zit een man met fietshelm gehurkt boven een kaart. Links van hem staat zijn fiets, waaraan op alle mogelijke plekken bagage is bevestigd. Ik fiets er in eerste instantie langs, maar bedenk me dat dit een toerist is die vast hulp nodig heeft. Ik keer me om en vraag de fietstoerist of ik hem kan helpen. Dat begrijpt hij niet, want hij spreekt geen Nederlands. Hij is zo te horen from the States. Inderdaad, ‘I’m from Utah, United States’ vertelt hij mij desgevraagd.

Hij wil om onduidelijke redenen midden in de nacht naar Amsterdam fietsen. De kaart die de Nachtfietser bij zich heeft is niet echt geschikt als fietskaart. Heel Nederland is er op afgebeeld en Utrecht is ongeveer twee bij twee centimeter. Ik wijs op de kaart aan – met een marge van een kilometer of tien, twintig - waar hij zich bevindt en hoe de route in hele grote lijnen moet lopen. Hij vraagt waar het noorden is. Ik wijs naar het noorden, waarop hij me aankijkt alsof ik de boel loop te belazeren. Hij maakt überhaupt de indruk liever niet geholpen te worden.

De route is niet bijster ingewikkeld, vertel ik hem in mijn beste Amerikaans. 'Just follow de Vecht and than you will find signs with Amsterdam on it. It’s three hours biking or so,’ zeg ik hem. Dat is een tegenvaller voor de Nachtfietser. Hij dacht de hele nacht zoet te zijn en ergens in de ochtend pas aan te komen. Ach, met zo’n kaart en richtingsgevoel is er een goede kans dat dat wel gaat lukken.

De Nachtfietser vraagt of hij aan de andere kant moet gaan fietsen of aan deze kant. Ik antwoord dat hij niet aan 'the other side' maar aan de 'right side' moet fietsen. Dat vindt hij grappig.

Als de Nachtfietser vraagt of 'Emsterdem' de eerste stad is waar hij langs komt, noem ik de hele rits plaatsen en plaatsjes op die hij tegen gaat komen, inclusief Oud-Zuilen en Brooklyn. Ook op Brooklyn reageert de Nachtfietser niet noemenswaardig. Als ik hem vraag waarom hij 's nachts fietst antwoordt hij met onvervalste Nachtfietserslogica dat hij altijd 's nachts fietst. Ik stap weer op en wens hem een goede reis. De Nachtfietser heeft zich onder zijn lantaarnpaal alweer gebogen over zijn kaart. Rare snuiters, die Nachtfietsers uit Utah.