woensdag 1 september 2010

VAL

Op de terugweg naar huis steppen twee kindertjes mij tegemoet op van die kleine aluminium stepjes die kortstondig enorm hip waren. Ze zijn vijf en zeven gok ik. Ach, ik zou er zo een paar jaar naast kunnen zitten, maar vooruit. Ze steppen op de stoep met papa op een meter of wat snelwandelend achter ze aan. Beide kindertjes hebben zo'n kleurig kinderhelmpje dat belachelijk groot lijkt voor hun onvolgroeide hoofdjes. Calimero-syndroom, maar wel veilig. Want ze halen toch al gauw 4,75 km per uur en er kan zo maar een tegel los zitten of een hond oversteken.

Vroeger hadden wij nooit helmpjes op. Ja, als ik Willempie (wie kent hem niet?) nadeed op mijn fietsje of achterop zat bij mijn moeder op de brommer. En dan was het ook wel nodig, want als je even niet oplette kon ze snoeihard optrekken, waardoor je ruggelings achterover tuimelde, zoals ooit gebeurde bij de rotonde met de fontein met de reiger.
Kinderhelmpjes bestonden in die tijd gewoon nog niet. Ook in de Tour werd nog gewoon zonder helm gefietst. Dat doen ze nu ook alleen maar omdat het toevallig verplicht is. Vraag het de renners maar!

De helmpjes zijn een teken des tijds. En niet alleen de helmpjes, ook de helmen zijn dat. Soms zie je hele optochten van toeristen, senioren of beide met obligate fietshelmen op. Zadelbont gecombineerd met fietshelm, gekker moet het niet worden.

Gekker wordt het helaas wel. Van de week stond in de krant dat kinderen in Nederland hard aan valtraining toe zijn. Ze zijn het vallen simpelweg verleerd doordat ze zo ontiegelijk beschermd worden opgevoed. Voor ze überhaupt een keer kúnnen vallen zijn ze al tien keer opgevangen. Valtraining... mijn hele jeugd was een grote valtraining! Een val in een sloot, een val uit een boom, een val van de trap, een val van een fiets met kinderknietjes en grind. Vooral volleybal was voor mij altijd een prachtige oefening in vallen. Duiken naar ballen, heerlijk vond ik dat! Met bijna tot het bot geschaafde knieën, heupen en ellebogen kwam ik enthousiast verhalend over mijn heldendaden thuis.

Om tekenen des tijds kun je niet heen. Helmen maken deel uit van een uit Amerika overgewaaid fenomeen dat allitererend bekend staat als veiligheidsfascisme. Geen festival zonder beveiliging, geen vlucht zonder bodyscan, geen glijbaan zonder ambulance, geen kindje zonder helm. Hap hap hap, wie knaagt er aan mijn privacy? Oh, gelukkig, het is de overheid maar! Ach overheid, ik lever graag wat privacy in voor een stukje veiligheid. Als ik maar geen helm op hoef als ik fiets.

zondag 22 augustus 2010

GANS

Als ik vanaf mijn huis langs de Vecht naar de tuin fiets, kom ik altijd langs een clubje van een stuk of twintig à dertig tamelijk opgefokte ganzen. Meestal staan ze pontificaal midden op de weg. Als je langs ze fietst steken ze luid gakkend de nekken in de lucht en de snavels omhoog gericht. De aanvalshouding. Niet dat ze je aanvallen, ze doen niets. Hooguit sissen als je ze te na komt.

Het is heel grappig om te zien dat mensen die door dit clubje hangganzen heen willen fietsen steevast bellen met hun fietsbel. Alsof die ganzen dan zullen denken: 'Hé, een fiets, snel aan de kant.' Automobilisten denken op dezelfde manier de ganzen aan de kant te kunnen toeteren. Kansloos! Ganzen begrijpen geen bellen en toeters, maar gaan uiteindelijk heus wel aan de kant als ze anders geraakt worden.

De ganzen schijten met zijn allen de hele weg compleet onder. Schijten kunnen ze als de beste, en dat is ook niet zo gek. Ze worden om de een of andere reden op tamelijk professionele wijze gevoerd. Ik zie af en toe mensen in de auto langskomen, die dan een vuilniszak Turks brood uit de achterbak halen om dat in grote brokken - en als het brood verscheuren lang genoeg heeft geduurd in hele broden - aan de gansjes te voeren. Alsof ze vetgemest moeten worden. Binnen de kortste keer is ook een hele armada van meerkoeten, eenden en meeuwen gearriveerd en begint het gevecht om het brood. Terwijl er toch echt voor iedereen meer dan genoeg is. Maar dat hebben ze natuurlijk niet door.

De ganzen waar het hier om gaat zijn een soort mislukte grauwe ganzen. Net als bij stadsduiven - oorspronkelijk waren dat prachtige uit Spanje afkomstige rotsduiven - zijn ze dusdanig gedegenereerd en vermengd dat je dat nog maar net kunt zien dat het generaties terug grauwe ganzen waren.

Tussen dat clubje opgefokte soort van grauwe ganzen is op de een of andere manier een brandgans verzeild geraakt. Nou ja, een brandgans... Hij heeft veel weg van een brandgans, maar ook dit exemplaar is niet zuiver in zijn genetica. Deze vreemde gans in de bijt wordt door de rest getolereerd, maar niet van harte. Terwijl dit toch echt de sympathiekste gans in van het hele rot. Hij gakt niet naar je als je langs komt fietsen, hij steekt zijn nek niet naar je uit. Toch wordt dit gansje door de rest van de groep volledig genegeerd. Je ziet hem vaak op een, twee meter van de grote groep af staan. Soms zit ie rustig aan de andere kant van de weg, in de wei, terwijl de rest aan de slootkant opgefokt doet. Misschien is dat zijn eigen keuze, distantieert hij zich van dat zootje ongeregeld, maar het gaat me toch aan het hart. Niets menselijks is mij vreemd, en de ganzen ook niet.

woensdag 18 augustus 2010

FAN

Gisteren viel ik tijdens het zappen in een BBC-documentaire over heavy metal. De hele meute kwam voorbij: Ozzy Osbourne, Mötley Crüe, Iron Maiden, Judas Priest, Metallica. Niet echt mijn kopje thee, maar toch leuk om te zien. En ik kan me ook heel goed voorstellen wat er aanspreekt in metal-muziek.

Twee onderwerpen uit de documentaire mogen best even worden genoemd. In de eerste plaats hoe de zanger van Judas Priest de hele look van de metalscène heeft beïnvloed. Rob Halford is homoseksueel en erg into fetish, vooral leer en studs. Zijn podiumoutfit kocht hij bij elkaar in obscure fetishwinkeltjes. ERn daar had ie succes mee op het podium. Naar dit voorbeeld is een uniform ontwikkeld dat door ongeveer alle metalbands en metalheads is overgenomen. Best bijzonder in zo'n wereld van échte mannen.

In de tweede plaats de rechtszaak die was aangespannen tegen Judas Priest omdat twee Priest-fans zelfmoord hadden gepleegd, direct na het beluisteren van muziek van hun helden. Althans: bij de een was het gelukt, de ander kon het navertellen, hoewel dat moeilijk zal zijn geweest zonder onderkaak. De leden van Judas Priest werden verantwoordelijk gesteld voor de zelfmoorden. In hun muziek moedigden ze de jeugd hiertoe aan via geniepig verborgen subliminal messages.

Verborgen boodschappen in de muziek... het is te danken aan de Amerikaanse moral majority dat er sinds de Beatles ('Paul is dead') eindelijk weer wat horen was over dit potentieel gevaarlijke fenomeen. Tipper Gore (de vrouw van inderdaad) was de drijvende kracht achter de club die alle platen doorluisterde op al dan niet subliminale maar in ieder geval onwelvoeglijke boodschappen. Niet voor niets is aan het einde van de elpee White bread blues van Victims Family, na het nummer Anti satan song for mom, als je de plaat terugdraait te horen: 'I hope you break your needle Tipper!' Zo ging dat in die tijd, hard tegen hard.

In de documentaire is een scène te zien van de rechtszaak waarin de jury moet aangeven of zij vinden dat de zanger ergens ver weg op de achtergrond 'Do it, do it' zegt is behoorlijk bizar. En dan is in ieder geval in de documentaire volstrekt onduidelijk wát ze dan precies moeten doen. Uiteindelijk liep de rechtszaak met een sisser af en werden alle Judas Priests vrijgesproken. En dat was maar goed ook, want hoe moet je je nou in godsnaam verweren tegen verdenkingen van subliminal messages?

Overigens zitten er in mijn familie de nodige metalheads. In Groningen, of meer algemeen, in perifere, meer rurale regio's zoals geografen dat zo mooi noemen, was en is metal nog steeds hot. Vooral mijn neef J. was een enorme metalfan. Hij droeg ook studs en van die maffe strakke broeken met verticale strepen. Dat vond ik altijd ontzettend stoer. Hij - en nog meer neven - waren groot fan van Iron Maiden. Ik vond dat toch maar een beetje eng, dat satanistische gedoe - Number of the beast! - en die akelige elpee-hoezen. Neef J. was ook nog lid van de fanclub van Status Quo. Ik weet, dat is geen metal maar hardrock, maar goed.

Ergens in de tachtiger jaren troffen wij de familie van J. ergens op een camping in Frankrijk. Na een aantal dagen vertrok de familie. Vlak voordat ze vertrokken - de auto was ingeladen, de vouwcaravan opgevouwen en aangekoppeld - deed J. een daad die grote indruk op mij maakte. Op de parkeerplaats waar hun tent naast stond schreef hij groot: Quo-fan 276.389 was here! Dat nummer weet ik niet helemaal zeker, maar Quo-fans werden dus, net als goede flessen wijn, genummerd. Ik vond het een uiterst stoere daad, zoals ie dat deed, met krijt, alsof het simpelweg een plicht was, zonder zich te haasten, terwijl de auto met de anderen ongedurig stond te wachten op vertrek.

dinsdag 17 augustus 2010

PEST

Uit recent onderzoek blijkt dat er in bejaardenhuizen heel wat wordt gesard, getreiterd, gekleineerd en gekoeioneerd. Pesten houdt sommige bejaardenhuizen volledig in hun greep. Bejaarden worden genegeerd, ze krijgen geen taart als iedereen taart krijgt, hun rollator wordt steeds in de lift gezet, ze krijgen voortdurend neerbuigende opmerkingen naar hun hoofd.

Wat zo wreed is - maar ook zo voorspelbaar - is dat het zowel aan de kant van de pesters als van de gepesten om dezelfde personen gaat die 60 jaar eerder op school respectievelijk dat sadistische jongetje met zijn achterbakse wrede berekenende gedrag en het kind van de rekening waren. Als je op de lagere school gepest wordt dan staat je in het bejaardenhuis dus denkelijk de nodige ellende te wachten. En dan is de kans groot dat je tussendoor, in je werkzame leven, ook een klotentijd hebt. Opvallend is dat bij kinderen gepestheid al is terug te zien in hun lichaamshouding: pest me, sla me! Dat raak je niet zo snel weer kwijt.


Pesten is een zichzelf versterkend principe. Als het eenmaal op gang is wil iedereen mee doen, want dan staat hij of zij aan de goede kant. Ik vond het altijd razend irritant als van die slome tuttebellen uit de klas ineens mee deden aan het pesten. Terwijl ze op de pestladder maar net een paar treetjes lager stonden dan de echt zware slachtoffers.

Uit nog recenter onderzoek blijkt dat ook op militaire opleidingen pesterijen schering en inslag zijn. De charismatische en dominante leiderstypes weten hun potentiële strijdmakkers te bewegen om al wat afwijkt een gruwelijke tijd te bezorgen. Ik citeer: 'Een slapende adelborst (ik dacht dat de adelborst in Nederland niet meer voorkwam sinds de winter van '63) werd in 2007 geswaffeld door medeleerlingen en hield daar psychische klachten aan over'. Ik kan het me voorstellen! In mijn tijd schopten ze als pesterij je bal met een grote boog over een sloot de struikjes in, zodat je een eeuwigheid bezig was hem te zoeken. En zij maar lachen als je aan het zoeken was. Dat vond ik toen al best erg...

'Op het Koninklijk Instituut Marine geldt pesten als natuurlijke selectie' luidt een van de bevindingen uit het onderzoek. Pesten als Darwinistisch selectiemethode, dat klinkt interessant. Maar dan zouden mensen die gepest worden toch op den duur uit moeten sterven? Of hebben ze een functie? Vormen ze een dempende factor? Want als al die alfamannetjes de hele dag met elkaar aan het vechten zijn, wie levert dan het Goede Zaad? Of zijn die minder dominante, misschien zelfs wat vrouwelijker types, goed in dingen die ook van belang zijn voor het menselijk ras? Dingen die juist zij heel goed kunnen?

Het lijkt nu alsof vrouwen in het geheel niet meedoen aan pesten, maar de waarheid is natuurlijk dat vrouwen er beter in zijn dan mannen. Alleen gebruiken ze heel andere methoden. Geen fysiek geweld - op een klein catfightje na zo hier en daar - maar psychologische oorlog van het koude soort. Hebben vrouwen er baat bij in evolutionair opzicht? Ik zie het nog niet zo. Misschien is pesten voor vrouwen een manier om zich in de etalage te plaatsen van de Grote Genenuitwisseling. Dat zij aan de Opperpesters kunnen laten zien dat ze als pester ook zeker hun mannetje staan. Want het is toch zeker zo dat pesters het met pesters doen en gepesten met gepesten? Ach ja, het zal er wel weer om gaan dat degene met de beste genen genen uitwisselt met diegene met de beste genen van het andere geslacht. De conclusie is duidelijk: de evolutie zal er niet voor zorgen dat pesten uitsterft.

BOM

Soms komen er op tv programma's voorbij – of eigenlijk is het eerder zo dat jij voorbij komt aan programma's – waarvan je denkt: hoe verzint iemand dit? Dat had ik onlangs. Hoe het programma heet weet ik niet. Het is een serie waarin verschillende elitetroepen uit historische oorlogen en veldslagen het tegen elkaar opnemen. Het is een soort idols voor oorlogsfetisjisten, met veel wapentuig en explosies. De nadruk ligt op eigenschappen als fitheid, doorzettingsvermogen en wreedheid, maar vooral op hoe goed je je wapens weet te hanteren.

In deze aflevering gaat de Waffen-SS de strijd aan met de Vietcong. Nu moet je niet denken dat beide teams ergens op een mooi wedstrijdterrein tegen elkaar ten strijde trekken. Er is gekozen voor een wedstrijd die het goed doet op tv. De effectiviteit van de wapens die beide partijen indertijd gebruikten, wordt op spectaculaire wijze vergeleken en beoordeeld door een deskundige jury. En effectiviteit gaat in dit geval om zo veel mogelijk dood en verderf. Boem! Kledder! Bakfiets!

Zowel de Vietcong als de Waffen-SS hebben een vertegenwoordiger die alle wapens demonstreert. Ze zijn allebei heel blij met de hun toegedichte rol en bovendien uitzonderlijk goed gecast. De SS-er spreekt Engels met een duidelijk Duits accent. Hij ziet er uit alsof hij regelrecht in de eerste lijn afstamt van een opper-Nazi. Hij is duidelijk trots op al die geniale wapens die zo ontzettend goed in staat zijn om mensen uit elkaar te rijten of te doorboren.

De Vietconger ziet er uit alsof hij zo weer aan de slag zou willen gaan om bijvoorbeeld een leuke val met geslepen bamboestengels in elkaar te knutselen. Hij is een afgetrainde Vietnamees die ook uitermate trots is op hun wapentuig, hun inventiviteit in het gebruik er van en vooral op het feit dat de Vietcong drie moderne westerse legers hebben overwonnen. Je mag dan de underdog zijn, maar met een beetje goede wil kan je iedere vijand aan.

Handwapens, mitrailleurs en mijnen worden in opeenvolgende sessies vergeleken en beoordeeld. Er is gekozen voor opstellingen met levensgrote poppen die als slachtoffer dienen. De poppen gaan echt bloeden als je raak schiet en ze hebben precies dezelfde eigenschappen als een mensenlichaam, zodat goed kan worden beoordeeld of de wapens werken.

Aan het einde van elke sessie wordt gekeken hoeveel schade de kogels of bommen hebben aangericht. Dat leidt tot enthousiasme bij deelnemers en jury: "Kijk, drie keer dwars door het hoofd! Die gast is ontzettend dood!" "Zag je dat, hij ligt helemaal in tweeën!" "Heeft iemand gezien waar zijn benen zijn neergekomen?" Het spectaculairst is toch wel de mijn die in de nabijheid van een varkenskarkas tot ontploffing wordt gebracht. Na de knal is er vrijwel niets meer van over en tot tientallen meters in de omtrek dwarrelen minuscule stukjes varken neer.

Ook de uitleg van de wapens verraadt rare obsessies. De Waffen-SS gebruikt een mijn die voor maximaal effect eerst een metertje opspringt alvorens te ontploffen. Met smaak worden anekdotes opgediend over de angst onder Engelse soldaten voor dit moorddadige wapen. Je was als je het - God verhoede - overleefde in ieder geval ontmand.

Jammer genoeg heb ik de einduitslag niet gezien, dus ik kan niet vertellen wie er gewonnen heeft. Het pleit natuurlijk wel voor de Vietcong dat ze in tegenstelling tot de Waffen-SS nog nooit zijn verslagen. Ach, wat zal het ook, dit waren nog maar de voorrondes. Wie zouden er doordringen tot de finale? Ik tip Al Qaida.

woensdag 14 juli 2010

KOOTJE

Ik sta voor het urinoir van café 't Neutje te doen wat je meestal doet als je voor een urinoir staat. Urinoir... het klinkt totaal anders dan je bij de naam zou denken. Café noir, film noir, urinoir. Mijn straal stokt als iemand de toiletruimte betreedt. Mijn straal stokt niet alleen, ik schrik me helemaal het Lazarus en schiet in een acute angstreflex. Want dit is Marcel of André van De Tweeling. De Gevreesde Tweeling, waardoor ik op de lagere school doodsangsten heb uitgestaan.

Ze zaten op een andere school – de openbare school, ofwel de rode school, ofwel de heidense school – die deel uitmaakte van het rood-geel-oranje scholencomplex in de Monnikenhof, Vianen. Als ik De Tweeling aan zag komen lopen – en dat gebeurde nogal eens, want we legden ’s ochtends en ’s middags een elkaar tegengestelde weg af - dan trad in mijn reptielenbrein een flight-or-fight-reactie in werking. En altijd koos ik voor flight. Ik dook de struikjes in om het pad direct langs de waterkant te nemen. Je was dan vanaf de weg niet meer zichtbaar. Ik denk dat ik zelfs voor het grootste deel verantwoordelijk ben geweest voor het ontstaan van dat pad.

Ik weet niet eens of er echt een goede reden was dat ik (of vooruit: we, want het gold niet alleen voor mij) bang was voor De Tweeling. Ze hebben me voor zover ik me herinner nooit in elkaar geslagen. Ze waren meer van het intimideren: een beetje trekken, een beetje duwen en vooral veel stoere praat uitslaan in plat Utrechts. Ze gebruikten woorden waaraan ik nog niet eens durfde te denken. Ze waren net iets ouder dan ik, altijd met zijn tweeën en zagen er knap angstaanjagend uit.

Marcel – of André – herkent me. Hij moet mijn reactie op zijn aanwezigheid haast wel zien: angst. Hij slaat me op de schouder: ‘Jij komt toch uit Vianen? Jij was vroeger altijd doodsbang voor ons he? Ha ha ha!’ Beteuterd zeg ik dat dat inderdaad het geval was. Als we beide geloosd hebben nodigt hij me uit voor een pilsje. Zijn tweelingbroer staat aan de bar. Er staan glazen Duvel voor ze en de asbak ligt vol met peuken. Ze roken zware shag. ‘He, ken je hem nog? Je weet wel, die zo bang was voor ons?’ Ook hij herkent me als die bange onnozelaar en lacht me vriendelijk toe. Er is ook een vrouw bij, ongetwijfeld de vriendin van een van de twee, maar die doet verder niet ter zake en wordt ook niet voorgesteld.

Ik krijg een duvel van ze. Lekker! Mijn flight-or-fight-systeem is inmiddels weer uitgeschakeld en mijn door de schrik opgewekte adrenalinerush is ook voorbij. Ik begin me langzaam maar zeker op mijn gemak te voelen in hun gezelschap. André of Marcel begint over vroeger. Dat zij, als twee stadje jongetjes, naar Vianen verhuisden. En daar ging het er allemaal heel anders aan toe dan in de volksbuurt waar ze vandaan kwamen. Die bleue jongetjes waren als de dood voor ze, terwijl zij er aan gewend waren altijd een grote bek op te zetten. Iedereen deed dat. Ze kwamen sowieso uit een hele ondernemende familie. Een oom was de eerste eigenaar van de eerste Nederlandse coffeeshop, Sarasani. Begin ’70-er jaren is hij doodgeschoten boven de zaak. De tweeling was toen een jaar of vier. Crimineel durf ik ze niet te noemen, maar het was niet altijd even zuivere koffie waar deze familie zich mee inliet.

Een van de twee werkt nu als timmerman, de ander is beroepsmilitair. Of eigenlijk: was beroepsmilitair, want op de een of andere manier is hij zijn bovenste vingerkootje van zijn rechterhand kwijt geraakt. En als je niet eens een trekker over kunt halen dan houdt het op in het leger. Hij lijkt daar zo op het oog niet echt mee te zitten. Dat ik op het punt sta te gaan studeren – het is studentenintroductie – vinden ze wel geinig. Hadden ze vast al wel gedacht.

We drinken nog gezellig een duvel of wat en gaan eerder als vrienden dan als vijanden uit elkaar. Direct buiten het café gekomen steken ze een enorme joint op met ontzettend sterke hash. Onvast op de benen van duvel en dope slingeren ze over de Neude richting auto. Ze stappen vrolijk in, raampjes open, jointje in de hand. Wee de politieagent die ze aanhoudt.

dinsdag 6 juli 2010

BROEI 2

Ik zit nog steeds in de tuin. De zon is bijna onder, maar het is nog aangenaam warm, om niet te zeggen broeierig. Uitkijkend over de Vecht zijn mijn gedachten bezig aan een sentimental journey.

Ik bevind me op de voetbalvelden van Brederode en ben elf jaar. Vriendje Sander heeft net gevoetbald en ik heb gekeken. We eten trekdrop en hangen een beetje rond. Plots komt er iemand aangerend die meer in het algemeen dan tegen ons in het bijzonder zegt: 'Kom kijken, André van de tweeling staat in de bosjes te vrijen!' We gaan er snel heen. En inderdaad, hij staat daar, tussen de struiken met witte besjes waar je zo goed mee kunt schieten met een pvc-buis, en hangt tegen een meisje aan en betast haar, terwijl ze elkaar op de mond kussen. We staan een paar tellen met open mond naar dit schouwspel te kijken totdat André ons ziet. We zijn doodsbang voor hem dus rennen we snel weg, lachend om wat we gezien hadden. 'Zag je dat? Hij zat aan haar kont! En ze zaten helemaal met de tongen tegen elkaar!' Met onnozele rooie kinderoortjes eten we in de kantine nog een trekdrop. Het was weer een topdag.

Om de een of andere reden - ik zit nog steeds in de tuin, het is drukkend warm en inmiddels knap donker - moet ik denken aan een voorlichtingsboekje dat mijn moeder ooit meenam uit de bieb. Seksjuwele voorlichting, zoals Campert dat noemt. Het boekje was waarschijnlijk bedoeld om met grappig bedoelde cartoons gesprekken over moeilijke dingen op gang te brengen. Of die gesprekken ooit hebben plaatsgevonden weet ik gek genoeg niet. Wat ik wel weet is dat ik niet op die gesprekken zat te wachten.

Ik kan me nog slechts één plaatje herinneren, en wel van een jongen die bovenop de hoge duikplank staat. Hij kijkt uit op een vrouw met een paar ferme borsten die in een bikini zijn gepropt. Van de weeromstuit krijgt hij een dikke vette bobbel in zijn strakke groene zwembroek. En dat bovenop de duikplank in een vol zwembad. Het moraal van het verhaal: erecties kunnen op de meest ongelegen momenten ontstaan. Altijd leuk om met je moeder over te praten.

Nog steeds zittend in de tuin - het koelt maar niet af, de luchtvochtigheid is tegen de 100%, heel in de verte weerlicht het en er klinkt zacht gerommel - herinner ik me een boek dat ik op zeker moment aantrof in de ouderlijke boekenkast. Het boek had de spannende titel 'Erotische variaties'. Het stond linksbovenaan in de kast, en vanaf de trap kon je er prima bij.

Zittend in de oksel van de trap blader ik het boek door terwijl ik elf jaar ben. Het is echt een kijkboek met heel veel foto's. Op alle foto's staan twee mensen, een man en een vrouw. Ze zitten meestal heel dicht tegen elkaar aan. Het zijn vrij suffe zwartwitfoto's die ondanks de diverse variaties die zijn afgebeeld alles zijn, maar niet opwindend. Er is sowieso geen zogenaamd geslachtsorgaan te zien. Bovendien kijken de gefotografeerden altijd van de camera weg. Je zou ze werkelijk nooit op straat herkennen.

Ik moet goed opletten, want mijn moeder of zusje kan ieder moment thuis komen. Ik neem nog wat variaties door. Dan weer zit de vrouw onder, dan weer de man. Dan weer staan ze, dan weer zitten ze, dan weer liggen ze. Of de een ligt en de ander staat. Er zijn met twee mensen meer variaties mogelijk dan je zou denken. Het doet me vooral aan gymnastiek denken. Ik vind het maar een raar boek.

Een bliksemschicht verlicht de tuin en al na een paar seconden volgt een daverende donderslag. De wind trekt aan. De populieren komen met zijn allen tegelijk in beweging en ruizen zoals alleen populieren kunnen ruizen. Het is tijd om naar huis te gaan, en snel ook. Een nieuwe bliksemflits en donderslag. Ik ruim de boel op en fiets snel naar huis. De bui is echter sneller. In een paar minuten ben ik doornat. Heerlijk! Eindelijk verkoeling!